Een beetje bijna heilig zijn…


In de loop van mijn leven ben ik vaak in Diest geweest. Niet dat ik er kind aan huis ben, maar elke keer als ik dat Oranjestadje binnen reed was het een soort van thuiskomen. Want er woont familie van me, drie nichten van mijn moederskant: Leny, Mado en Loes.
Ze hadden nog een zus, Puck, maar die woonde in Den Haag waar ze ook is overleden. Nu is ook mijn oudste nicht gestorven: Leny van Rooij. Ze is bijna negentig geworden.

Toen ze met haar drie zusjes nog in Eindhoven woonde, in de jaren voor, tijdens en na de
oorlog, begon ze met zwemmen. Bij PSV, waar ze nog meer doen dan alleen voetballen.
Leny bleek een natuurtalent en won prijzen op haar favoriete nummers: de 100 meter vrije
slag en de 100 meter rugslag.

Als kind zag ik tegen haar op: ze was ouder, sterker, groter. Dus was het logisch dat ze me
Fransje noemde. Bovendien was zij een waterrat en dat kun je van mij niet zeggen.
Zwemmen is nooit mijn favoriete doe-sport geweest. Ik heb het levenslang bij een soort rugslag gehouden; dan zag ik lucht in plaats van al dat water onder me. En nog belangrijker: ik kon ruggelings doorlopend adem halen.

Toen het gezin van mijn oom en tante en hun vier meiden naar Diest verhuisde om daar een
bloeiende horecazaak te beginnen, stapte Leny van PSV over naar zwemclubs in Brussel en
Antwerpen en ook daar was ze een prijswinnende zwemster.
Totdat ze het wedstrijdzwemmen voor gezien hield. Ze zat niet meer in het zwembad, maar op
de rand ervan om haar vele pupillen te coachen.
Met dat jarenlange trainingswerk heeft ze zich geliefd gemaakt bij clubbesturen en de
Vlaamse Zwemfederatie, bij de ouders van haar pupillen en vooral bij de kinderen zèlf.
Ze mag het jammer genoeg niet meer beleven dat een van haar jonge talenten over een paar
weken voor België aantreedt op de Olympische Spelen, als triatlete.

Ariane, de vrouw van Leny’s kleinzoon Kevin schreef een afscheidsgedicht voor Leny:

Telkens als je water ziet,
denk aan mij zonder verdriet
zoals ik ben, zoals ik was
‘Is goed geweest, ik ga alvast
voor altijd met de stroming mee,
deel uitmaken van de zee
op de golven in de wind,

‘k was je mama, zus en vriend.
M’n laatste reis, ik ga voorgoed,
m’n laatste wens vervuld, ik groet.
Dus, telkens als je water ziet,
denk aan mij en heb geen verdriet.

Het is waar,
wij zijn hier, jij bent daar.
Maar de kracht die jij hebt gegeven
is bij ons achter gebleven.

Water was voor de Vlaamse dichter Paul Snoek (1933-1981) een doorlopende bron van
inspiratie. Zoals blijkt uit zijn gedicht ‘Een zwemmer is een ruiter’:

Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water,
is liefhebben met elke nog bruikbare porie,
is eindeloos vrij en inwendig zegevieren.
En zwemmen is de eenzaamheid betasten met vingers,
is met armen en benen aloude geheimen vertellen
aan het altijd allesbegrijpende water.
Ik moet bekennen dat ik gek ben van water.
Want in het water adem ik water
word ik schepper die zijn schepping omhelst,
en in het water kan men nooit geheel alleen zijn
en toch eenzaam blijven.
Zwemmen is een beetje bijna heilig zijn.

Ik weet niet of Leny dat gedicht kende. Ik zou het haar graag hebben voorgelezen, bijna zeker
wetend hoe ze gereageerd zou hebben, met haar luide lach: ‘Kom, kom, Fransje. In het water
voel ik me net zo gelukkig als in m’n tuin. Maar bijna een beetje heilig?, en jij dan?’.
Ik zou zwijgen; ik ben geen zwemmer…
Zwemmen was voor Leny een mix van discipline en vrijheid. Zou dat een heel bescheiden
soort van een beetje heiligheid kunnen zijn?, ook op het droge…?

beeld: podozorg baarn

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *