Verhullen is wat anders dan inpakken

*** Zondagsmijmeringen ***

Zoeken, zonder precies te weten naar wat. Een leven lang. Rusteloos. Er zijn mensen die doorlopend op zoek zijn. Ik bedoel niet diegenen die op rommelmarkten tussen de kitsch naar de kunst zoeken want dat zijn snuffelaars. Ik bedoel de mensen die zoeken naar de zin van het leven, naar nieuwe horizonnen, naar geluk, en ja: ook naar rijkdom. Naar geld. We breken ons het hoofd wat we aan moeten met die paar wilde wolven in ons land, terwijl het wemelt van de geldwolven. Maar dat is een geaccepteerde soort.  

Geld maakt niet gelukkig, wordt wel eens troostend gezegd. Filmmaker Woody Allen vindt geld belangrijker dan armoede, ‘al was het maar om financiële redenen’… Het is met geld net als met vet. Van beide is er genoeg, maar het zit altijd op de verkeerde plaats. Geld en vooral goud komen in tal van sprookjes voor en dat zegt eigenlijk al genoeg; kippen die gouden eieren leggen, de schat van Ali Baba, het goud van de Nibelungen. Je reinste materialisme. 

‘Ik moet je wat bekennen, zei Jan tegen zijn bruid.

Ik verdien krap Modaal, kom jij daar wel mee uit?

Da’s geen probleem schat, ’t is mij om het even.

Modaal vind ik zat, maar waar moet jij dan van leven?’.

En dan hebben we het niet eens over echte armen, bedelaars. Die worden ook niet altijd even christelijk behandeld. ‘Kunt u me soms vijf euro lenen?’, vroeg een dakloze aan een voorbijganger. ‘Soms wel’, antwoordde die, ‘maar nu even niet’. Calvijn leerde zijn volgelingen nochtans dat dé armen niet bestaan, ‘ze zijn ùw armen, ùw broeder en zuster, ùw behoeftige’. 

Hoe heel anders is het zoeken naar de zin van het leven. ‘Zoekt, en gij zult vinden’, lezen we in het Evangelie van Mattheüs. Bijna wanhopig zoeken naar antwoorden op vragen over je lotsbestemming, zoals de Turkse dichter Oktay Rifat:

Wat is toch dit noodlot van mij?

Ik kan niet rekenen en ik heb een baan als boekhouder,

Gevulde aubergine is mijn lievelingseten, en ik kan er niet tegen,

Ik ken een meisje met sproeten

En ik hou van haar

En zij niet van mij

De mens is sinds zijn heugenis op zoek naar schoonheid, naar eeuwige jeugd. Het is een vruchteloze zoektocht en ook botox is van korte duur. Elke stopverf droogt uiteindelijk uit. Je kunt nu eenmaal niet eindeloos jong – en bijbehorend mooi – blijven. 

Niks mooier dan mooi verval. Midas Dekkers heeft er een heerlijk humoristisch, filosofisch boek over geschreven: ‘De vergankelijkheid’. Over het onstuitbare verval van mens en dier, gebouwen en natuur. Met als onderliggende boodschap: poets het verval, de ouderdom niet uit. Een ruïne is mooier dan een nieuw kasteel. Elk ‘kraaiepootje’ is het lieve ‘litteken’ van een glimlach…

Christo is dood. Ik heb die wonderlijke man en zijn roodharige vrouw Jeanne-Claude enkele malen ontmoet. In Oberhausen, waar hij in een lege gashouder duizenden kleurige (lege) olievaten op elkaar stapelde, op de Zwitsers-Duitse grens waar hij in het Beyeler en Berower park in Riehen, vlakbij Basel, honderden bomen een zilverkleurig omhulsel gaf en in Berlijn, waar hij tot afgrijzen van toenmalig Bondskanselier Helmut Kohl de Rijksdag mocht verhullen. Een fascinerend gebeuren, vooral vanwege het eenmalige en kortstondige. Een paar weken en alles was weer als vanouds, en toch anders, nieuw. Vervliegende kunst die alleen als herinnering overblijft. 

Christo was een uiterst aimabele man die alleen maar kwaad werd als je sprak over inpakken. Hij pakte niks in, hij verhulde. ‘Een vrouw pakt zich toch ook niet in?, ze verhult zich’. Hij verhulde gebouwen en stukken natuur om ze daarna terug te geven aan de bewoners. Die zouden er dan volgens hem met heel andere ogen naar kijken en zich bewust worden hoe mooi zo’n gebouw of stuk natuur eigenlijk was. Christo (be)toverde, als een Sinterklaas die oud speelgoed inpakt en dan tevreden toekijkt als de kinderen dat uitpakken en dolblij zijn met hun oude, bekende en toch weer nieuw lijkende speelgoed.    

Het lijkt alsof het eerste couplet van het gevelgedicht van de Veenendaalse scholiere Noëlle Drost gemaakt is met een knipoog naar Christo’s manier van werken: 

‘Daar staat het dan, heel hoog, zodat ik het niet pakken kan.

Mooi gekleurd papier, met wat linten voor de sier.

Heel voorzichtig, pak het cadeau, even luisteren, even schudden zo, 

en dan weer terugzetten, want morgen is het pas mijn cadeau’. 

Laten we opgewekt aan een nieuwe week beginnen en af en toe denken aan de opwekkende  aansporing van Ramses Shaffy in zijn lied ’Kijk omhoog Sammie’, en van Charlie Chaplin: ‘Als je altijd naar beneden kijkt zul je nooit een regenboog vinden’. 

Basta. Ik ben aan het einde van deze mijmeringen, maar denk onwillekeurig – en wat zenuwachtig – aan een uitspraak van de Münchener cabaretier Karl Valentin: ‘Wie aan het einde is kan opnieuw beginnen. Want het nieuwe begin is de andere kant van het einde’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *