Voor een keukenprinses

De bedrieglijke lentesfeer roept bij sommigen het gevoel op dat er hoognodig aan de grote (voorjaars)schoonmaak moet worden begonnen; het bloed kruipt waar het niet gaan kan… Ook de dikke winterkleren worden stilaan opgeborgen; de zomerkledij hangt en ligt in de kledingkasten al voor het grijpen.

Zelfs in de keuken is de wisseling van seizoenen al volop aan de gang. Je kunt nu nog nauwelijks met goed culinair fatsoen een snertmaaltijd op tafel zetten, of je moet er een zomerse variant van maken met dop-, of tuinerwtjes – hoe kleiner hoe fijner -, sjalotje, stukjes licht geroosterde pancetta en heel veel verse munt.

Het verschil met echte snert zit ‘m in de dikte. In die zomersoep moet je het grootste deel van de erwtjes juist niet pureren en veel meer bouillon gebruiken.

Koken is voor een deel ook durven en ’n beetje fantasie kan geen kwaad.

Maar het wachten is natuurlijk op de echte zomergroenten; de meiraapjes, de tuinboontjes, de asperges en de hele rambam van de koude grond.

De schrijver/journalist Simon Knepper (1955) schreef eens ’n kort gedicht voor een keukenprinses:

                                  Dat uw speelse knoflooktenen

                                 uw verschijning smaak verlenen 

                                            acht ik evident;

                                    tot uw minnaar uitverkoren

                                 gun ik zelfs uw bloemkooloren

                                       graag een compliment.

                                   Wat mij echter in de pozen

                                   tussen maal en minnekozen

                                        menigwerf bezwaart,

                                   is de veelheid van kwetsuren

                                die mij toevalt door het schuren

                                        van uw krentenbaard

Ik voel ik me in deze weken soms bezwaard om over alledaagse dingen te schrijven en met grappen, one-liners en gedichten ’n glimlach op je gezicht te toveren, terwijl op een paar dagen rijden hiervandaan een vreselijke oorlog woedt.

Nee, ik, jij, wij kunnen er op dit moment niks aan veranderen. Het is afwachten, bidden, hopen. En helpen voor zover dat kan.

Toen de Sovjet-Unie in 1989 implodeerde, het IJzeren Gordijn oud schroot werd en de Berlijnse Muur tot puin werd vermalen, werd de Tsjechische dissidente schrijver Vaclav Havel (1936-2011) president van zijn land. Het vormde het sluitstuk van de ‘fluwelen revolutie’ waarmee de Tsjechen en Slowaken – zonder bloedvergieten – hun onafhankelijkheid van Moskou afdwongen.   

Honderdduizenden Tsjechen kwamen in de slotfase van die vrijheidsbeweging dagen achtereen naar het langgerekte Wenceslasplein, in hartje-Praag, om er het aftreden van de communistische regering te eisen. Niet met geweld, maar met rinkelende sleutelbossen.

Vaclav Havel vatte de ontknoping van die vrijmaking samen in ‘n memorabele zin: ‘Politiek is de kunst van het onmogelijke’.

Voor Oekraïne lijkt die uitspraak onhaalbaar. Je moet een naïeve optimist zijn om nog te geloven dat de hedendaagse internationale politiek de kunst verstaat om het onmogelijke te bereiken: vrede in dat deel van ons Europa.

Bewoners van steden in het oorlogsgebied proberen te vluchten. Ze sluiten hun huis af, zoals wij dat doen als we op vakantie gaan. Ze steken de voordeursleutel in hun zak en hopen op het wonder dat ze er nog ooit kunnen terug keren. Naar hun huis, hun stad, hun land.

                                      Zo is hier elke dag: de bloemen

                                     gaan de perken te buiten, bomen

                                   waaien in het honderd, en van overal

                                              stroomt klaarte toe

                                     als volk voor een voetbalwedstrijd.                            

                                      Reeds komt de zon het terrein op-

                                    gelopen, stralend van zelfvertrouwen.

                                       En even sterk zijn hier de dichters.

                                   Hun stevige beelden bewerken de realiteit

                                                als boeren op het land,

                                         een hele werkelijkheid kunnen zij

                                                 in hun armen dragen.

                                                   Ik hou van dit land.

                                          als ik ooit uitwijk neem ik het mee.

                                                 Ik zal zijn naam noemen

                                                    en het zal me volgen.   

Dit is een liefdesverklaring van Herman de Coninck (1944-1997) aan zijn Vlaamse land. Maar lees het nog ‘ns een keer.

En vervang de naam van deze Vlaming door die van een Oekraïense dichter die het over zijn land heeft…  

beeld: https://i.pinimg.com/blond-amsterdam-baking.jpg